Dit artikel is geschreven door: Hanneke Reitsma.

“Opvoedadviezen werken niet!”

In gesprekken met cliënten hoor ik het vaak: “Opvoedadviezen uit de boekjes werken niet bij onze kinderen.” Of: “Mijn omgeving denkt dat ik mijn kinderen niet goed kan opvoeden, ze zeggen dat ik gewoon wat strenger moet zijn.” Straffen werkt niet en belonen vaak maar tijdelijk. Wat ik ook vaak hoor is dat ouders continu in strijd zijn met hun kinderen waarbij sommigen de strijd opgeven en de controle zijn verloren.

In dit artikel maak ik duidelijk waarom de standaard opvoedtips die je krijgt van je omgeving, bijvoorbeeld bij het consultatiebureau of van je (schoon)ouders niet werken bij jouw kind. Daarnaast laat ik je kijken naar je eigen opvoedstijl en hoe deze aansluit op de behoeften van jouw kind. Als je je hiervan bewust bent, weet je ook beter wat wel en niet werkt en wat je eventueel anders kunt gaan aanpakken. Uitdagingen die je ondervindt in de opvoeding kunnen allerlei oorzaken hebben, maar om het overzichtelijk te houden, kijk ik in dit artikel met je naar het onderwerp grenzen en kaders.

Hoogbegaafdheidskenmerken in relatie tot kaders/grenzen

Hoogbegaafdheid gaat meestal gepaard met een sterke behoefte aan autonomie, een groot rechtvaardigheidsgevoel, hoogsensitiviteit en een kritische ingesteldheid (Zijnsluik van Kieboom en Delphi model). In gedrag zie je daardoor vaak dat hoogbegaafden zaken zelf willen bepalen of meebeslissen, en dat ze zeer emotioneel kunnen reageren als er (in hun ogen) sprake is van onrechtvaardigheid. Dit leidt vaak tot spanningen als er kaders/grenzen worden gesteld.

Op cognitief vlak uit hoogbegaafdheid zich onder andere in een creatief denkvermogen en snel verbanden kunnen leggen. In het gedrag kan het eruit zien als snel afdwalen van een onderwerp, tijd nodig hebben om tot actie te komen (want eerst moeten de vele opties uitgedacht worden) of juist zo snel gaan dat de omgeving het niet kan volgen. In dit laatste geval zijn het vaak analytisch sterke hoogbegaafden die heel vlug het plaatje voor zich zien en weten hoe ze van A naar B (of misschien wel F of Z) komen. Ook dit kan tot verwarring en spanning leiden als je als ouder of leerkracht grenzen aangeeft.

Bovendien kan het aanspreken op grensoverschrijdend gedrag erg frustrerend zijn. Veel hoogbegaafden kijken met een kritische blik naar hun omgeving en naar zichzelf. De kritische kijk op zichzelf is niet altijd zichtbaar. Die onzichtbaarheid heeft vaak te maken met een verminderd gevoel van eigenwaarde. Ze geven liever niet toe iets fout te hebben gedaan, want de schaamte en de angst die erbij komt kijken gaan ze liever uit de weg. Ogenschijnlijk lijkt kritiek van buiten dan niks te doen, of lijkt het dat ze niet kunnen reflecteren op zichzelf, maar schijn bedriegt. In hun binnenwereld gaat er van alles om. Ze willen het (perfecte) beeld dat de omgeving van ze heeft intact houden. Toegeven dat je fout zat hoort daar niet bij. Dat ze zichzelf daarmee voor de gek houden en zelfs te kort doen (het gevoel van eigenwaarde wordt immers alleen maar minder hierdoor), is iets wat ze dan nog moeten ontdekken. Als ouder of leerkracht is het de kunst om voorbij de schaamte en de angst te kijken om bij het kind binnen te komen. De neiging blijkt toch vaak om direct te reageren op het zichtbare gedrag en dat te be-/veroordelen.

Waarom kaders/grenzen?

Heel kort gezegd: kaders en grenzen geven duidelijkheid en daarmee veiligheid. Bovendien leert een kind door het tegenkomen van grenzen het verschil tussen goed en kwaad, wat hoort en wat niet hoort, wat gevaarlijk en veilig is etc. Het geweten wordt op deze manier gebouwd. Gebrek aan grenzen geeft onduidelijkheid en zelfs onveiligheid. Ieder mens heeft in meer of mindere mate de behoeften te weten waar hij aan toe is. Een grens of een kader komt tegemoet aan deze behoefte.

In de praktijk zie ik regelmatig dat kaders binnen gezinnen zijn verdwenen omdat de angst voor de strijd groter is geworden dan de vaardigheid om de juiste kaders te bieden en te handhaven. Hierdoor ontstaat er nog meer onveiligheid waardoor soms een heel gezin ontwricht raakt; ouders zijn de controle kwijtgeraakt. Of ik zie dat ouders bang zijn dat het mis gaat met hun kind of dat ze hun kind zielig vinden waardoor ze problemen steeds proberen voor te zijn. Het gevolg hiervan is dat kinderen niet leren voelen waar de grenzen zijn, omdat hun ouders ze steeds (net) voor het voelen van grens te hulp schieten of waarschuwen. Deze kinderen vinden het vaak moeilijk om zich in een groter kader te bewegen, omdat ze gewend zijn dat hun ouders ze steeds waarschuwen voor de grenzen. Vaak kunnen deze kinderen moeilijk omgaan met situaties die nare gevoelens opwekken; ze hebben immers geleerd dat ze deze uit de weg kunnen gaan in plaats van dat ze er doorheen gaan. In beide situaties komt het kind zelf niet in aanraking met grenzen en dat geeft op termijn problemen bij het kind en/of in het gezin.

Bewegingsruimte binnen kaders

Ten aanzien van omgang met grenzen en kaders kun je grofweg drie groepen mensen onderscheiden:

1. Overwegend creatief
Hoe groter iemands creatief denkvermogen, hoe meer behoefte er is aan ruimte; strakke grenzen beperken de creatieve geest. Daarnaast is het creatief denkvermogen van deze mensen zo anders dan de mensen om hen heen. Het kost tijd en ruimte om te snappen (voor de ouder/leerkracht/collega) en uit te leggen (door de creatieveling) wat de gedachtegang is bij een bepaalde situatie. Wanneer kinderen nog klein zijn kunnen ze strakke grenzen van hun ouders tot zekere hoogte verdragen, maar hoe ouder ze worden, hoe harder ze gaan botsen met de grenzen die hun ouders of leerkrachten stellen. Het schoolsysteem is in basis behoorlijk strak, gestructureerd en gekaderd. Het spreekt dus voor zich dat dit type kind het daarom moeilijk kan hebben in het onderwijs.
Creatief (hoog)begaafden vallen vaak in deze categorie. Daarmee snap je wellicht ook dat de standaard opvoedadviezen voor deze groep niet werken. De ruimte die zij nodig hebben is vaak groter dan de ruimte die anderen nodig hebben.

2. Overwegend analytisch
Mensen die regels en structuren erg prettig vinden, vaak ook goed kunnen ordenen, prioriteren, en strategisch en analytisch sterk zijn, kunnen over het algemeen goed functioneren binnen kleine kaders met strakke grenzen (dus ook vaak in het onderwijs). Zij ervaren duidelijkheid en veiligheid door deze kaders.

Sommige hoogbegaafden herkennen zich wellicht in deze categorie. Vaak hebben deze hoogbegaafden nog weinig ervaring met het inzetten van hun creatief denkvermogen, door bijvoorbeeld een strakke opvoeding, hoogbegaafdheid die niet gezien is of door angst om te falen of ‘buiten de lijntjes te kleuren’. Wanneer ze de creativiteit bij zichzelf leren en durven aanboren, gaan ze zich meer herkennen in categorie 3.

3. Creatief én analytisch
Uiteraard zijn er ook mensen die een groot creatief denkvermogen hebben en ook analytisch sterk zijn en goed kunnen ordenen. Zij kunnen zowel omgaan met kleine kaders als met grote kaders. Ze hebben beiden nodig in verschillende situaties.
Ook in deze categorie kunnen veel hoogbegaafden zich herkennen. Ze kunnen dan naar behoefte per situatie schakelen en meebewegen.

Als ouder (en leerkracht) is het handig om te weten in welke categorie jij zelf valt en waarin je kind(eren) valt/vallen. Dit geeft inzicht in de behoefte van je kind en van jezelf.

Hieronder staat de schematische weergave van categorie 1 en 2 met de daarbij behorende beschrijving en uitdagingen. Als jij zelf of je kind in categorie 3 valt, is het omgaan met grenzen/ kaders vanzelfsprekend minder uitdagend omdat jullie allebei of een van jullie makkelijk kan meebewegen in vrije of strak gekaderde situaties.

Schematische weergave grensbehoefte

klik op de figuur voor vergrote weergave

Wat als de grens overschreden wordt?

Probeer weg te blijven van dreigingen en straffen en bewoordingen als: “Als je nu niet…., dan……” Dit soort zinnen roepen een machtsstrijd op. Probeer te spreken vanuit jouw emoties, behoeften en verwachtingen. Worden duidelijk gestelde grenzen overschreden dan ligt het aan de grens wat je ermee doet: “Niet op elke grens hoeft prikkeldraad te staan.” zei iemand laatst heel treffend. Je kunt al noemen dat de grens is overschreden, punt.

Je kunt ook kijken wat de gevolgen zijn van de overschreden grens en je kind daar zelf de consequenties van laten dragen. Het gaat dan om ‘doodlogisch’ laten ervaren van oorzaak en gevolg. Je kind leert daardoor passende verantwoordelijkheid te nemen voor wat het doet (of niet).

Bijvoorbeeld: Je ervaart steeds moeite met het moment dat jullie gaan eten. Je zoon komt niet aan tafel als je hem roept. Je kunt (op een ander moment dan het heetst van de strijd) aangeven dat je het fijn vindt om samen aan tafel te zitten, dat je dat gezellig vindt en dat je het leuk vindt om van iedereen te horen hoe de dag is geweest (jouw behoeften). Dat je het verdrietig, frustrerend (noem maar op) vindt dat het steeds een strijdpunt is (jouw emotie). Dat je daarom verwacht dat iedereen aan tafel gaat als het eten klaar is (jouw verwachting). Geef aan dat je daarom niet (meer) gaat strijden om het eetmoment. Je geeft aan dat de maaltijd wordt afgesloten als degenen die aan tafel zaten klaar zijn met eten. Kom je te laat, of ben je later klaar, dan is het logische gevolg dat je alleen eet of niet eet. Dat klinkt misschien heel hard, maar hoe duidelijker je bent over dit kader, hoe beter je kind zal gaan meebewegen. Op het moment dat het dan daadwerkelijk etenstijd is, vraag je iedereen aan tafel en noem je bijvoorbeeld iets wat je aan tafel zou willen horen van je kind. Dit kan ook gaan over de game die hij aan het spelen was voor het eten. Laat je kind zelf in beweging komen om aan tafel te komen. Ga niet er om ‘zeuren’ of dreigen. Als je het een keer duidelijk gezegd hebt, misschien twee keer, is dat voldoende.

Wees wel bereid om je kind de gevolgen van zijn/haar handelen te laten ondergaan. Ga in ieder geval nooit eten naar je kind brengen als het niet weg kan komen bij het scherm. Eten is een primaire levensbehoefte waarvan het belangrijk is dat kinderen de prikkel van honger voelen. Dat brengt ze in actie. Zo niet, dan is er meer aan de hand en is het wijs om hulp in te roepen.

Weer grip op grenzen?

Van grenzeloos naar passende grenzen

Als je naar aanleiding van dit artikel aan de slag gaat met grenzen aan kaders, dan is er nog iets waar je op kunt letten. Er is namelijk een risico dat je heen en weer gaat schieten van veel vrijheid geven naar strakke grenzen stellen. Als je op vergelijkbare situaties steeds anders reageert en anders omgaat met grenzen en kaders ontstaat er onveiligheid. Je kind weet dan niet wat het aan jou heeft. Dit zie ik vaak ontstaan bij ouders die de controle thuis proberen terug te vinden. Ze gaan dan te snel van geen grenzen en kaders naar hele strakke grenzen en kaders. Het kind kan hier niet in meekomen, schopt tegen de grenzen, ouders vinden dit moeilijk en geven vervolgens de strijd weer op. Een frustrerende situatie voor iedereen. Het stellen van grenzen moet geleidelijk gebeuren. De kunst wordt het maken van het juiste kader in elke situatie. Wees daarin ook mild voor jezelf en ‘pick your battles’. Soms ben je te makkelijk geweest, soms te streng. Dat hoort bij opvoeden.

Sta je als ouder momenteel in overlevingsstand, of geldt dit voor je kind (herkenbaar aan kort lontje, weinig flexibiliteit, moe etc.), dan is het belangrijk om reële doelen te stellen en niet alles tegelijk aan te pakken. Daarnaast is het belangrijk dat je op zoek gaat naar rustmomenten. Anders blijf je in een negatieve spiraal. Zorg dat je iets aanpakt wat je aankan en kan volhouden.

Soms is het moeilijk om te bepalen waar je het beste kunt beginnen omdat de chaos onoverzichtelijk is geworden. Dan kan het helpen om iemand met je mee te laten kijken.

Van strakke grenzen naar meer ruimte

Bovenstaande geldt natuurlijk ook als je gaat werken aan het verruimen van de grenzen en kaders. Voor ruimte geven gebruik ik vaak de term ‘lui ouderschap’. Hang als het ware maar wat meer achterover, ga eens op je handen zitten, hou je mening maar eens voor je. Hierdoor zit je veel minder bovenop je kind. Dat geeft letterlijk en figuurlijk ruimte. Ruimte voor je kind om fouten te maken, nieuwsgierig te zijn, teleurstellingen tegen te komen en daar mee te dealen. Het voordeel is dat jij ook veel minder hoeft te doen en te controleren. Je legt namelijk passende verantwoordelijkheden bij je kind. Nu heb je nog te leren dealen met de manier waarop jouw kind omgaat met situaties. Let bij jezelf maar eens op zinnen die beginnen met: ‘Pas op…., Zou je niet…., Ik denk dat je beter….’ Vaak spreek je onbewust vanuit je eigen angst, jouw maatstaaf of perfectionisme.

Bijvoorbeeld: Je dochter zit in de derde klas van het VWO en maakt per dag een halfuur huiswerk. Dat vind je veel te weinig en dat benoem je ook. Jij zit daarom bovenop de planning van het huiswerk van je dochter. Je zit naast haar als ze haar toetsen leert. Als ze een andere keuze maakt in haar manier van leren dan jij zou maken, dan spreek je dat uit. Je bewaakt ondertussen ook de tijd waarop ze haar scherm mag gebruiken en wanneer ze naar sport moet. Je bent gefrustreerd als je betrokkenheid niet in dank wordt afgenomen.

In dit voorbeeld zit de ouder veel te dicht op het kind en ervaart het kind weinig bewegingsruimte; het moet namelijk zo gaan zoals de ouder het zegt. Om het kind hier te leren omgaan met plannen, passende verantwoordelijkheden nemen etc., is het belangrijk dat de ouder een paar stappen terug doet.

Conclusie

Omgaan met kaders en grenzen is een uitdagend spel. Zeker in de opvoeding van (hoog)begaafde kinderen leidt dit regelmatig tot spanningen en conflictsituaties. Soms leggen dergelijke patronen een gezond gezinsleven plat. Kijk goed naar je eigen behoeften, en vooral naar die van je kind om de juiste strategie voor kaders en grenzen te kiezen.

We schrijven onze artikelen zodat ze gedeeld kunnen worden en kennis verspreid kan worden. Het gebruiken van (delen uit) dit artikel mag alleen met bronvermelding.

Dit artikel is gepubliceerd op 28-02-2020