Kind komt niet als hoogbegaafd uit de test. En nu?

Hanneke Reitsma

Aanleiding

Dit artikel is geschreven omdat er in onze praktijk steeds vaker kinderen worden aangemeld met de vraag of er sprake is van hoogbegaafdheid, waarbij hoogbegaafdheid vervolgens niet (eenduidig) naar voren komt in een begaafdheidsonderzoek. Wat is er dan aan de hand? Kijken we dan niet goed genoeg? Willen ouders te graag dat kun kind hoogbegaafd is? Ik denk allebei van niet. Wel zien we een ander patroon. Daarover gaat dit artikel.

Hoogbegaafd

[hoog·be·gaafd] bijv.naamw.

Een door Google snel-getrokken conclusie bij het zoeken op veelvoorkomende kenmerken.

Is mijn kind hoogbegaafd?

Voor veel ouders is het een spannend moment als hun kind onderzocht wordt met de vraag: ‘Is mijn kind hoogbegaafd?’ Meestal is er al een proces aan dit moment vooraf gegaan. Ouders hebben geprobeerd bepaalde gedragskenmerken van hun kind te begrijpen. Wellicht dat de omgeving, familie, vrienden of leerkrachten op school zich ook afvroegen waarom dit kind zich anders gedraagt dan andere kinderen. Misschien zijn ouders al jaren aan het worstelen met hun kind en zijn ze de wanhoop nabij. Veel ouders gaan dan zelf op onderzoek uit. Stel hun kind is verbaal sterk, gevoelig voor prikkels, kan sferen goed aanvoelen, wordt snel boos, kan niet tegen onrecht, is perfectionistisch en gaat moeilijke dingen uit de weg, is nieuwsgierig, creatief etc. Wanneer dit soort kenmerken ingetypt worden in Google, kom je al snel uit bij hoogbegaafdheid. Ouders gaan verder lezen en vervolgens lijken er steeds meer puzzelstukjes om hun plaats te vallen.

Wanneer spreken we van hoogbegaafdheid?

Het is van belang te weten dat er in de wetenschap nog steeds geen eenduidige definitie is geformuleerd van hoogbegaafdheid. In Nederland en België benaderen we hoogbegaafdheid voornamelijk vanuit twee perspectieven; de persoonlijkheidskenmerken (meestal de zijnskenmerken genoemd) en de cognitieve kenmerken (ook wel hoofdkenmerken genoemd). Zo bestaat er het zijnsluik en cognitieve luik van Tessa Kieboom, het Delphi model van Maud Kooijman-Tiel en het model van Duran van Yvonne Duran. De gemene deler van deze modellen en theorieën is dat we bij hoogbegaafdheid altijd uitgaan van een hoge intelligentie (IQ 130+). Dit IQ is het meest (kwantitatief) meetbare van hoogbegaafdheid, namelijk door middel van een intelligentietest. Wetenschappelijk gezien een behoorlijk betrouwbaar construct. Daarnaast is het snelle, associatieve en creatieve denkvermogen ook een kenmerk dat in bovengenoemde modellen naar voren komt. Dit kenmerk is ook meetbaar, maar alweer een stuk minder kwantitatief dan het IQ, omdat het hier een kwalitatieve (interpretatie afhankelijke) benadering bij komt kijken. Daarnaast zijn er weinig gestandaardiseerde onderzoeksmiddelen om dit betrouwbaar te kunnen meten.

Dan hebben we nog de zijnskenmerken. In de wetenschap is geen consensus over welke zijnskenmerken precies horen bij hoogbegaafdheid. In de dagelijkse praktijk worden er echter wel veel zijnskenmerken bij hoogbegaafden gesignaleerd. Hierop zijn bovengenoemde modellen ook grotendeels gebaseerd. Mogelijk geeft de praktijk ook een vertekend beeld, doordat bij de hulpverleningsinstanties slechts een beperkte groep hoogbegaafden gezien wordt, namelijk zij die problemen ondervinden in hun dagelijks leven. Die problemen kunnen voortvloeien uit het hoogbegaafd-zijn, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben. Bovendien zijn de zijnskenmerken (zoals o.a. hoogsensitiviteit, perfectionisme, rechtvaardigheidsgevoel, behoefte aan autonomie) geen observeerbare gedragingen, maar interpretaties van gedrag. Dit maakt het lastig om deze zijnskenmerken objectief te meten. Daarom zijn we heel voorzichtig met het ‘label’ hoogbegaafdheid als er geen hoge intelligentie, IQ van 130 binnen de intervalscore, gemeten wordt, maar enkel/ voornamelijk de zijnskenmerken waargenomen worden die kunnen wijzen op hoogbegaafdheid.

Vanwege de brede blik die we willen hebben op hoogbegaafdheid, gebruiken we binnen onze praktijk het model van Duran als kapstok voor diagnostiek en behandeling. Dit model geeft ruimte om nuance aan te brengen in elk traject en te kunnen werken op verschillende vlakken van het leven van de cliënt.

Het kind komt niet als hoogbegaafd uit de test

En dan is daar het moment van het onderzoek. Vol verwachting wordt er gewacht op de uitslag die hopelijk eindelijk antwoord geeft op een lange zoektocht. Een antwoord dat handvatten biedt voor het kind en zijn omgeving. Maar dan blijkt uit het begaafdheidsonderzoek dat het kind niet past in het beeld van hoogbegaafdheid. De zijnskenmerken zijn misschien wel zichtbaar, maar het gemeten IQ zit (ver) onder de 130. Voor sommige ouders is dat een flinke teleurstelling. Het doet ze twijfelen aan zichzelf (heb ik het dan niet goed gezien?) en soms ook aan de tester of testsituatie (heeft mijn kind zich te veel aangepast en is dat niet gezien?). Wij kunnen ons deze teleurstelling goed voorstellen, want het voelt alsof de zoektocht dan weer opnieuw kan beginnen.

Hoe komt dat?

De afgelopen jaren is er veel aandacht gekomen voor het brede beeld van hoogbegaafdheid en de kenmerken hiervan naast de hoge intelligentie en het snelle denken. Hierdoor is er ook aandacht gekomen voor het risico op misdiagnoses (kinderen die een DSM label kregen, terwijl er sprake was van hoogbegaafdheid die niet de ruimte kreeg en daardoor gedragsproblemen veroorzaakte). Ook op scholen, peuterspeelzalen en consultatiebureaus kan men steeds beter signaleren op hoogbegaafdheid. Dat is goed nieuws. Tegelijkertijd lijkt er in de praktijk ook een steeds groter wordende groep juist ten ónrechte gesignaleerd te worden als hoogbegaafd. Zoals de misdiagnoses ontstaan bij hoogbegaafden door overlappende symptomen, kan er bij andere problematiek ook ten onrechte een label hoogbegaafdheid opgeplakt worden door diezelfde overlappende symptomen.

Wij zien bij steeds meer kinderen die bij ons worden aangemeld voor diagnostiek en behandeling dat de zijnskenmerken van hoogbegaafdheid verward lijken te worden met andere kenmerken/symptomen, zoals die van (langdurige) stress. Kenmerken die ogenschijnlijk hetzelfde zijn, maar waarbij het zichtbare gedrag een andere of meerdere oorzaak/oorzaken heeft. Langdurige stress kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door hechtingsproblematiek, trauma, rolverwisseling tussen ouder en kind (parentificatie), ook wel ontwikkelingstrauma genoemd. Maar ook bij autisme of ADHD kunnen deze kenmerken zichtbaar zijn. Bij (langdurige) stress kan perfectionisme, hoogsensitiviteit en een sterk rechtvaardigheidsgevoel heel zichtbaar worden in het gedrag; allemaal kenmerken die ook in verband worden gebracht met hoogbegaafdheid.

Kan het kind hoogbegaafd zijn, maar dat ‘ie dit niet laat zien op de test?

Ja, het kan nog steeds in uitzonderlijke gevallen zijn dat een kind wel hoogbegaafd is, maar dat dit nu niet gebleken is uit het begaafdheidsonderzoek. Die kans is echter klein. Zeker omdat we de omstandigheden bij zo’n onderzoek zo optimaal mogelijk maken, omdat we werken met specialisten in hoogbegaafdheid en omdat we in de keuze van de test rekening houden met de uitdagingen en mogelijkheden van het kind. Maar dan toch kan het voorkomen dat de potentie er niet uitkomt. Dat is even een technisch statistisch verhaaltje. Kort gezegd: Wij werken met een betrouwbaarheidsintervalscore van 90% (bijvoorbeeld 123- 132). Deze intervalscore is behoorlijk groot (+/- 10 punten). Dat betekent dat er maar 10% kans is dat de daadwerkelijke IQ-score buiten het gemeten interval ligt. De kans is dus heel erg klein dat een kind dat in potentie 130 zou kunnen scoren, een score van bijvoorbeeld 115 haalt en zich zo goed heeft aangepast dat de onderzoeker dat op geen enkele manier gemerkt heeft.  

Over het algemeen zien we dat de uitslag van een begaafdheidsonderzoek laat zien hoe een kind op dit moment presteert; zijn prestatievermogen. Het laat niet per se zijn volle potentieel zien. De uitslag van zo’n onderzoek komt daarom ook regelmatig overeen met het beeld dat een school heeft. Soms is het beeld wat beter, vanwege de geoptimaliseerde omstandigheden tijdens een onderzoek. Of is het beeld beter omdat een kind op school niet gezien wordt in zijn hoogbegaafdheid, waardoor het niet de kans krijgt om op dat niveau te presteren en nu tijdens het onderzoek ineens wel.

En hoe dan verder?

Als we het vermoeden hebben dat er iets anders speelt dan hoogbegaafdheid of andere problematiek voorliggend is, kijken we met jullie mee welke zorg wel passend is. Soms kan die zorg door ons geleverd worden, maar we hebben ook een breed netwerk van zorgprofessionals/praktijken die ook klaarstaan om passende hulp te bieden.

Als een kind toch hoogbegaafd lijkt, maar het niet uit de test komt en vermoedelijk heeft ondergepresteerd, dan ligt er vaak een oorzaak aan ten grondslag. We kunnen hoogbegaafdheid dan niet objectief in beeld brengen. Langdurige stress (met welke oorzaak dan ook), waardoor ook onderpresteren op de test kan voorkomen, is in zo’n geval vaak een van de boosdoeners. Als we het vermoeden hebben dat het om een hoogbegaafd kind gaat dat niet als zodanig uit de test komt, zullen we dit ook aangeven. Als we dat namelijk signaleren, vraagt het vervolgens ook om een gezamenlijke zoektocht in het vervolgtraject met alle betrokkenen om te ontdekken wat de oorzaak is van die stress en hoe die weer kan zakken. Pas als de stress zakt, kan het brein weer normaal gaan functioneren en tot leren komen. Het is in het geval dat een kind niet als hoogbegaafd uit de test komt daarom risicovol het wel als hoogbegaafd te benaderen en te behandelen. Overvraging ligt dan op de loer met alle gevolgen van dien. Wel kan er bijvoorbeeld ingezet worden op rust in combinatie met creatieve opdrachten, activiteiten in de natuur enzovoort. Dit vraagt om maatwerk.

Conclusie

We vermoeden dat door de toegenomen kennis van met name de persoonlijkheidskenmerken van hoogbegaafdheid, psychische problemen in toenemende mate ten onrechte bestempeld worden als (vermoedelijke) hoogbegaafdheid. Dat komt doordat gedragskenmerken bij hoogbegaafden veel overlap hebben met andere gedrag- of leerstoornissen of onderliggend trauma en hechtingsproblematiek. Hoewel de toename van kennis over en vroeg-signalering van hoogbegaafdheid een positieve ontwikkeling is, is onjuiste labeling ook niet wenselijk of helpend. Het risico bestaat dat een kind op basis van deze overlappende gedragskenmerken onterecht als hoogbegaafd wordt gezien en benaderd. Wanneer dit ontstaat, werkt dat overvraging in de hand en dat is schadelijk. Wanneer een vermoedelijk hoogbegaafd kind niet als zodanig uit een begaafdheidsonderzoek komt, dan vraagt dit nader uitpluiswerk naar de oorzaak van de gedragskenmerken of problemen. Om vervolgens te bepalen welke behoeften hierbij horen. Dit is uiteindelijk veel belangrijker en nuttiger dan het labelen (met welk label dan ook) van een kind. Kijken naar en betrekken van de brede context van het kind om deze behoeften inzichtelijk te maken, is dan heel belangrijk.

Een begaafdheidsonderzoek blijft daarnaast een momentopname en de resultaten dienen met voorzichtigheid en vooral met nuance bekeken en geïnterpreteerd te worden. Het is nooit een zwart-wit verhaal (daarmee zouden we onszelf als onderzoekers veel te belangrijk maken). Daarbij mogen we ook beseffen dat zo’n testuitslag echt niet zo veel waarde (meer) mag krijgen waar alles vanaf hangt, zoals welke vorm van onderwijs er geven wordt.  Als praktijk proberen we het kind in zijn context zo goed mogelijk te zien. Een begaafdheidsonderzoek is slechts een middel om een stukje van dat gehele plaatje in beeld te krijgen en de behoeften van het kind in beeld te brengen.

Laten we dus als alle betrokkenen (ouder, leerkracht of zorgprofessional) ook verder kijken dan naar de uitslag van het onderzoek alleen. Misschien is het makkelijker om te zeggen dat hoogbegaafdheid de oorzaak is van de aanwezige problematiek, maar we lopen daarmee het risico dat we de kern misschien wel missen.

Dit artikel moedigt jou als lezer aan om ook (weer) naar het bredere perspectief van een kind te blijven kijken. Verder dan de scoop van hoogbegaafdheid alleen, waar je soms in terecht bent gekomen. Wanneer we die brede blik kunnen houden, geeft dat nieuwe openingen tot groei. Voor het kind en zijn gehele context. Dat is uiteindelijk waar het om draait en waar wij voor staan.

Consultaties

Twijfel jij of er sprake is van hoogbegaafdheid en wil graag weten hoe hiermee om te gaan? Schakel ons in voor een schoolconsultatie.