Hoe gaan wij om met IQ-testen en onderzoek?

De manier waarop we onderzoeken doen (de diagnostiek) is voortdurend in ontwikkeling is, en gebaseerd op de nieuwste inzichten. Hoe we er nu mee omgaan is gebaseerd op de kennis en ervaringen die we tot nu toe hebben opgedaan. De ontwikkelingen op dit gebied hebben onze volle aandacht en we zijn er op allerlei fronten intensief bij betrokken. Dat betekent dat onze onderzoeken (en verslagen) van een jaar geleden er al weer anders uit zien dan nu, en ook dat de onderzoeken van volgend jaar er waarschijnlijk weer anders uit zullen zien dan die van nu. We zien het als onze taak en plicht om hier voortdurend een onderzoekende houding in aan te nemen, ons te blijven laten scholen en kritisch te blijven kijken naar wat we doen, waarom we het doen en hoe we het belang van het kind steeds voorop kunnen stellen.

WISC-V-NL, de WIPPSI-IV, RAKIT-2 en de KIQT+

Wij gebruiken in onze praktijk verschillende intelligentietests; de WISC-V-NL, de WIPPSI-IV, RAKIT-2 en de KIQT+.  Na aanmelding, (telefonische) intake en het bestuderen van de aangeleverde gegevens in het intakeformulier, maken wij een inschatting welke test het meest passend is bij het kind. De leeftijd van het kind is bij deze keuze de grootste bepalende factor. Mede bepalend is de leervoorkeur van een kind (visueel of talig), aanwezigheid van faalangst, de situatie waarin het kind momenteel verkeert etc.  Het liefst testen we kinderen vanaf 6 jaar, maar soms is het noodzakelijk of gewenst om eerder te testen. Dit kan in overleg vanaf 4 jaar.

KIQT+, IQ test voor (vermoedelijk) hoogbegaafde kinderen

Sinds september 2020 testen wij ook met de KIQT+ (Uitgeverij SCALIQ, zie deze link). Bij de normeringsfase hebben we vele kinderen kunnen testen, waardoor we vanaf het ontstaan van deze test intensief betrokken zijn geweest. De KIQT+ meet het meest accuraat bij een IQ tussen de 115 en de 170. In de ontwikkeling van deze IQ-test zijn ook de belemmerende factoren voor onze doelgroep meegenomen (denk daarbij aan het werken onder tijdsdruk). De test meet het IQ zo zuiver mogelijk en wordt veel minder beïnvloed door de belemmerende factoren. Nadeel is wel dat de test wat smal de sterkte en zwakte van het kind in beeld brengt. De WISC-V doet dit bijvoorbeeld uitgebreider en geeft daardoor vaak meer handvatten voor advies op school. Nadeel is logischerwijs dat de belemmerende factoren het Totaal IQ kunnen drukken.

Het begaafdheidsonderzoek

De IQ-test is bij ons slechts een deel van het totale begaafdheidsonderzoek. Het onderzoek vindt plaats verdeeld over twee momenten binnen één week. Zo kunnen we zoveel mogelijk van een kind zien, houden we de spanningsboog maximaal en kan een kind wennen aan de tester en de testsituatie; allemaal factoren waarvoor onze doelgroep erg gevoelig is. We onderzoeken bijvoorbeeld ook de persoonlijkheidskenmerken van een kind aan de hand van de theorie van Dabrowski, het sociaal- en emotioneel welbevinden, belemmerende en compenserende interne en externe factoren, creativiteit etc. De reden dat we dat doen is omdat (hoog)begaafdheid veel meer omvat dan alleen een IQ-cijfer. We willen een kind zo compleet mogelijk in beeld brengen, waardoor ook de behoeften van een kind zo duidelijk mogelijk zichtbaar worden. Op deze behoeften en inzichten worden onze adviezen geschreven.

IQ: van puntcijfer naar intervalscore

We geven het Totaal IQ niet meer als één cijfer weer, maar als 90% intervalscore. De uitgever van de IQ-testen adviseert dit zelf overigens ook. We geven daarmee aan dat de daadwerkelijke score met 90% zekerheid ligt tussen de twee genoemde getallen. We hopen dat collega’s in het vak dit ook (nog meer) zullen gaan doen, zodat kinderen niet zomaar meer worden beoordeeld op dat ene cijfertje boven of onder de 130, maar dat scholen wel móeten gaan kijken naar het totaalplaatje van een kind. Wij zetten ons er enorm voor in dat scholen dit steeds meer gaan doen (o.a. door de manier van verslaglegging en door het geven van trainingen aan scholen). Het totale plaatje zegt namelijk zo veel meer over wat een kind nodig heeft. Daarbij willen we samen (ouders, school en kind) kijken naar wat er achter het zichtbare gedrag zit. Waar komt het vandaan en hoe interpreteer je dat juist? En welke behoefte heeft het kind dan?

Executieve ‘functies’

Het executief onderzoek kan naast het begaafdheidsonderzoek afgenomen worden. Al hebben we een beetje een haat-liefde verhouding hebben met het begrip executieve functies. We noemen ze liever executieve vaardigheden. Het aanleren van vaardigheden is namelijk altijd in ontwikkeling. De term functies roept meer een ‘aan’ of ‘uit’ associatie op en zo zwart wit is het natuurlijk nooit. We beschrijven hier uitgebreider over op deze pagina op onze site. In de kern komt het hier ook weer neer op het juist interpreteren van zichtbaar gedrag. Beheerst een kind een bepaalde vaardigheid niet of beheerst het kind een bepaalde vaardigheid in een bepaalde situatie niet? In dat geval moeten we ook kijken naar de situatie waarin het kind het wel en niet laat zien. Dat geeft weer inzicht in de behoefte van het kind. Die behoefte is vaak een ingang om weer verder te kunnen met het zichtbare gedrag en geeft zicht op de vaardigheden die een kind nog moet ontwikkelen.

Didactisch onderzoek

Soms is een begaafdheidsonderzoek helemaal niet nodig en is er veel meer baat bij een didactisch onderzoek. Hierover beschrijven we uitgebreider via deze link op onze site.

Conclusie

Concluderend kunnen we stellen dat het meten van hoogbegaafdheid nog niet zo eenvoudig is. Geen enkele test is perfect. Daarnaast zal niet elke hoogbegaafde uit de verf komen door middel van een IQ-test. Er zijn vele factoren die van invloed zijn op de output van de (mogelijke) hoogbegaafdheid. Wie zien het dus als onze taak om kritisch te blijven kijken naar onze meetinstrumenten en de resultaten die daaruit rollen. We blijven kijken naar het gehele plaatje en naar de behoefte van het kind. Vanuit die behoefte kunnen we verder adviseren in wat nodig is.

Geüpdatet op 02-02-2022